De meeste Nederlanders leefden vóór 1863 zonder radio, televisie of betaalbare kranten. Hoeveel mensen wisten werkelijk wat zich in de Nederlandse koloniën afspeelde?
Er was geen radio, geen televisie, geen internet en geen telefoon.
De laatste jaren wordt vaak gesproken over “de Nederlanders” alsof vrijwel iedereen tijdens de slavernij wist wat zich in Suriname en op de Antillen afspeelde. Maar klopt dat eigenlijk wel? De vraag verdient een eerlijk antwoord, gebaseerd op de omstandigheden van die tijd en niet op de informatievoorziening van de eenentwintigste eeuw.
Wie teruggaat naar Nederland van vóór 1863 ziet een samenleving die nauwelijks te vergelijken is met die van nu. Geen radio, geen televisie, geen internet, geen telefoon. Zelfs een krant was voor een groot deel van de bevolking onbereikbaar.
Nederland was arm en hard
Nederland was in de eerste helft van de negentiende eeuw een arm land. Vooral op het platteland leefden veel gezinnen van dag tot dag. In provincies als Limburg, Drenthe, Friesland en Groningen werkten mensen vaak tien tot veertien uur per dag om eenvoudigweg te kunnen overleven. Kinderarbeid was normaal. Wie niet werkte, had geen inkomen. Voor internationale politiek of gebeurtenissen aan de andere kant van de oceaan bleef nauwelijks tijd of belangstelling over.
Kranten bestonden wel, maar werden vooral gelezen door bestuurders, ondernemers, notabelen en de gegoede burgerij. Een abonnement kostte geld dat veel gezinnen niet konden missen. Bovendien kon een aanzienlijk deel van de bevolking niet of slechts beperkt lezen en schrijven. De elite beschikte over informatie die voor de meeste Nederlanders eenvoudigweg niet bereikbaar was.
Nieuws reisde langzaam
Wij kijken met de bril van de huidige tijd naar een samenleving waarin nieuws binnen enkele seconden de wereld overgaat. In de eerste helft van de negentiende eeuw was dat totaal anders. Veel Nederlanders waren amper op de hoogte van wat zich tien, twintig of dertig kilometer verderop afspeelde. Nieuws reisde langzaam en werd mondeling doorverteld door schippers, marskramers, rondreizende handelaren, militairen, familieleden en andere reizigers.
Wie in een afgelegen dorp woonde, leefde grotendeels in zijn eigen omgeving. Hoe verder men van de handelssteden woonde, hoe kleiner de kans dat nieuws uit de koloniën überhaupt doordrong.
Niet iedere Nederlander was gelijk
Dat betekent niet dat niemand wist van slavernij. Handelaren, reders, politici, bestuurders, predikanten en koloniale ambtenaren waren zonder twijfel op de hoogte. Zij lazen kranten, reisden en hadden vaak directe banden met de koloniën. Maar mogen we die relatief kleine groep gelijkstellen aan “de Nederlanders”? Dat is een historische sprong die zelden wordt onderbouwd.
Voor een landarbeider in Zuid-Limburg, een turfsteker in Drenthe of een dagloner in Friesland was de wereld klein. Werk, kerk, gezin en het eigen dorp bepaalden het leven. Dat zulke mensen een goed beeld hadden van de Nederlandse slavernij is allerminst vanzelfsprekend. Zelfs niet aannemelijk.
Twee vormen van menselijk leed
Daar komt nog een ongemakkelijke historische werkelijkheid bij. De armoede in Nederland was in die tijd zo groot dat complete gezinnen soms niet zeker waren van voldoende voedsel of een fatsoenlijk dak boven hun hoofd. Dat roept een moeilijke historische vraag op.
Niet om de slavernij te relativeren, want het ontnemen van vrijheid, het kunnen worden verkocht, mishandeld of van je gezin worden gescheiden blijft een fundamenteel onrecht. Maar wel om de omstandigheden in Nederland eerlijk onder ogen te zien. Hoe groot was de ellende waarin een deel van de Nederlandse bevolking zelf leefde? Die vraag verdient eveneens aandacht. Geschiedenis hoeft geen wedstrijd in leed te worden. De ellende van arme Nederlanders maakt de slavernij niet minder ernstig. Andersom maakt de slavernij de schrijnende armoede in Nederland niet minder werkelijk. Beide geschiedenissen verdienen een eerlijke plaats in het historische debat.
Een andere vraag
Misschien moeten we daarom een andere vraag stellen.
Niet: “Wisten de Nederlanders van de slavernij?“
Maar: “Welke Nederlanders konden vóór 1863, gezien hun opleiding, inkomen, woonplaats en toegang tot informatie, redelijkerwijs weten wat zich in de Nederlandse koloniën afspeelde?”
Pas wanneer historici die vraag zorgvuldig beantwoorden, ontstaat een eerlijker beeld van Nederland in de negentiende eeuw. Want het is riskant om de kennis van een kleine, goed geïnformeerde elite achteraf toe te schrijven aan een bevolking die voor een groot deel vooral bezig was met één ding: De volgende dag zien te overleven.

Lees ook: