De ophef over het salaris van de topvrouw van KLM is terecht. In een organisatie waar eerder terughoudend werd gedaan over loonsverhogingen voor het grondpersoneel, wringt een riante beloning aan de top. Dat tast het gevoel van rechtvaardigheid aan en schaadt vertrouwen.
Wat echter minstens zo opvallend is, is de selectiviteit van die verontwaardiging. Want waar blijft de maatschappelijke discussie over de salarissen in het betaald voetbal, waar spelers vaak meer verdienen dan bestuurders van grote ondernemingen? Of over de honoraria in de gesubsidieerde mediasector, waar een kort optreden in een talkshow soms buitenproportioneel wordt beloond? Daar zou een duidelijke norm moeten gelden. En hoe zit het met artiesten die honderden euro’s per ticket vragen, zonder dat daar publieke kritiek op volgt?
Nog pregnanter wordt het bij organisaties die afhankelijk zijn van subsidie. Daar zien we directeuren die meer verdienen dan de minister-president, terwijl hun financiering mede uit publieke middelen komt. Dat schuurt. Wie belastinggeld ontvangt, mag aan duidelijke grenzen worden gehouden.
De norm moet simpel en afdwingbaar zijn. Organisaties die subsidie ontvangen, betalen hun directeur niet meer maximaal 80 procent van het salaris van een staatssecretaris. Dat creëert helderheid, voorkomt scheve verhoudingen en versterkt het maatschappelijk draagvlak voor publieke financiering.
