Het recente artikel over het Eye Filmmuseum laat weinig aan de verbeelding over. Rode cijfers, een intern rapport dat spreekt over een angstcultuur en een organisatie die zichtbaar worstelt met haar eigen koers. Dat is ernstig. Maar wat het werkelijk ongemakkelijk maakt, is de context waarin dit gebeurt: een instelling die drijft op een continue stroom publiek geld.

De cijfers zijn niet marginaal. In de periode 2021 tot en met 2024 ontving Eye ruim € 59 miljoen aan subsidies. Jaarlijks gaat het om bedragen van € 13 tot € 15 miljoen, grotendeels afkomstig van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarbovenop komen bijdragen van de Gemeente Amsterdam en het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Voor 2025 liggen opnieuw meerjarige toekenningen klaar op een vergelijkbaar niveau.
Dat is geen incidentele steun. Dat is structurele financiering van een omvang die je mag verwachten bij een robuust geleide organisatie met aantoonbare maatschappelijke prestaties.
En toch zien we het tegenovergestelde.
Als een organisatie met deze financiële basis ontspoort, dan is dat geen pech. Dan is er sprake van structureel falend bestuur. In gewoon Nederlands: wanbeleid. De vraag die dan op tafel hoort te liggen is niet alleen hoe dit kon gebeuren, maar ook wie daarvoor verantwoordelijk is. En scherper nog: waar ligt de aansprakelijkheid?
In de private sector zou een dergelijk patroon onvermijdelijk leiden tot ingrijpen, vervanging van bestuur en in sommige gevallen zelfs persoonlijke aansprakelijkheid. Waarom zou dat bij een zwaar gesubsidieerde instelling anders zijn?
Daar komt nog een tweede ongemakkelijke realiteit bij. Het gebouw aan het IJ is geen bescheiden huisvesting. Het is een architectonisch statement op een A locatie. Een prestigeobject. Eigendom van de stichting zelf, mede mogelijk gemaakt met publieke middelen.

De vraag dringt zich op: past zo’n gebouw wel bij een instelling die vrijwel volledig afhankelijk is van belastinggeld?
Het antwoord lijkt steeds moeilijker te verdedigen. Zeker nu blijkt dat de interne organisatie niet op orde is en financiële tekorten zich opstapelen. Dan verandert zo’n icoon al snel in wat het feitelijk is geworden: een gouden rioolputje.
Misschien is het tijd om het om te draaien. Verplaats Eye naar een goedkopere locatie, waar het zich kan concentreren op zijn kerntaak zonder de ballast van een duur prestigegebouw. En gebruik het huidige pand voor een functie die al jaren wacht op realisatie: het Slavernijmuseum.
De voordelen liggen voor de hand. Geen jarenlange bouwtrajecten, geen oplopende kosten, geen extra druk op de bouwsector. Het museum kan snel open, midden in de stad, op een zichtbare plek. Efficiënt, maatschappelijk relevant en financieel verstandig.
Een klassieke win win.
Wat resteert, is de kernvraag. Hoe gaan we om met instellingen die langdurig fors worden gefinancierd met publiek geld, maar daar onvoldoende prestaties tegenover zetten? Blijven we bijstorten, of durven we ook harde conclusies te trekken?
Publiek geld vraagt om publieke verantwoordelijkheid. En soms betekent dat ook: opnieuw beginnen, op een andere plek, met een andere schaal en een andere discipline.
Dat is geen afbraak van cultuur. Dat is het redden ervan.